Of je nu zelf de Style Run loopt of als ouder langs de mat staat — het helpt om te weten waar de jury op let. Hieronder leggen we de vier onderdelen uit, telkens met een maximum van 100 punten. Wie weet waarop wordt beoordeeld, kan gericht trainen — en als toeschouwer beter meekijken.
Flow
Flow gaat over hoe soepel en vloeiend de run eruitziet van begin tot eind. De jury kijkt of de deelnemer zonder onnodige pauzes of haperingen van het ene obstakel of de ene trick naar de volgende beweegt. Een goede flow betekent dat alles natuurlijk in elkaar overloopt, alsof de hele run één doorlopende beweging is in plaats van losse onderdelen achter elkaar. Twijfelmomenten, struikelen of stil staan om opnieuw aan te zetten kosten punten.
Creativiteit
Creativiteit beloont originele keuzes. Doet de deelnemer dezelfde standaard tricks als iedereen, of bedenkt hij of zij iets verrassends? Denk aan een onverwachte combinatie van bewegingen, een eigen draai aan een obstakel, een ongebruikelijke route door het parcours, of een trick die je niet vaak ziet. De jury waardeert eigen stijl en lef om iets anders te proberen dan de voor de hand liggende oplossing.
Uitvoering
Uitvoering gaat over de techniek en netheid waarmee bewegingen worden gedaan. Worden landingen stabiel ingezet, of wankelt het? Zijn de bewegingen scherp en gecontroleerd, of slordig? De jury let op precisie: een trick die technisch perfect wordt uitgevoerd scoort hier hoger dan dezelfde trick die net niet helemaal lukt. Houding, controle en afwerking tellen allemaal mee.
Moeilijkheid
Moeilijkheid kijkt naar het risico en de zwaarte van wat de deelnemer probeert. Een eenvoudige trick die iedereen kan, scoort laag; een trick die veel oefening en durf vereist, scoort hoog. De jury weegt mee hoeveel technische vaardigheid nodig is, hoe groot of lastig het obstakel is, en hoeveel risico de deelnemer neemt. Belangrijk: een moeilijke trick scoort alleen écht hoog als hij ook goed wordt uitgevoerd — anders trekt het Uitvoering juist weer naar beneden.
Samengevat
Flow
Hoe het loopt
Vloeiend van trick naar trick, zonder haperingen.
Creativiteit
Hoe origineel het is
Eigen stijl, verrassende keuzes, lef om iets nieuws te proberen.
Uitvoering
Hoe netjes het gaat
Stabiele landingen, gecontroleerde bewegingen, scherpe houding.
Moeilijkheid
Hoe stoer wat geprobeerd wordt
Risico en technische zwaarte — alleen punten als 'm ook lukt.
Een topscore vraagt om balans tussen alle vier. De winnaar is meestal niet degene die het moeilijkste probeert, maar degene die het totaalplaatje het beste neerzet.
Waar kun je dus op trainen?
- Flow: oefen complete runs in plaats van losse tricks. Bouw routes waarbij de ene beweging logisch overgaat in de volgende.
- Creativiteit: kijk video's van anderen voor inspiratie, en probeer minstens één trick of overgang in je run die je nog nooit iemand anders hebt zien doen.
- Uitvoering: herhaal tricks die je al kent tot de landing écht stabiel is. Liever 10 keer dezelfde trick clean dan 10 verschillende tricks half.
- Moeilijkheid: bouw stap voor stap op via je trainer. Een halfgelukte salto kost punten op Uitvoering — dus pak alleen wat je kunt landen.
Voor ouders
Als je langs de mat staat: let niet alleen op de spectaculaire tricks. Kijk ook naar de momenten tussen de tricks. Een deelnemer die rustig en zelfverzekerd doorloopt scoort vaak hoger dan iemand die één hele moeilijke trick laat zien maar daarna twijfelt over hoe verder. Dat is precies waar de jury op let — en wat we tijdens trainingen oefenen.